Emancipatiemonitor 2008
Op 18 februari is de nieuwe Emancipatiemonitor (de vorige verscheen in 2006) verschenen. Hij is samengesteld onder leiding van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het CBS, in opdracht van de minister van OCW, die de emancipatieportefeuille beheert. In de Emancipatiemonitor wordt nagegaan of het emancipatieproces in de richting gaat die het emancipatiebeleid (Meer kansen voor vrouwen. Emancipatiebeleid 2008-2011) voor ogen staat. Uit het nieuwe monitorrapport blijkt onder andere dat de arbeidsparticipatie van vrouwen ten opzichte van de vorige monitor fors is toegenomen, dat deeltijdwerk van vrouwen verschuift naar grotere deeltijdbanen, dat de beloningsverschillen zijn iets afgenomen en dat er iets meer vrouwen in topfuncties te vinden zijn. De meeste streefcijfers van het emancipatiebeleid zullen bij gelijkblijvende ontwikkeling echter niet worden gehaald.
Meisjes kiezen vaker voor een hogere opleiding, en behalen zij daar ook sneller en vaker de eindstreep dan jongens. Wel is er nog steeds sprake van een flinke achterstand van allochtone meisjes ten opzichte van autochtone meisjes. Ook verlaten meer allochtone meisjes het voortgezet onderwijs zonder diploma.
Schoolkeuze
In het hoofdstuk over onderwijs komt naar voren dat meisjes beter blijken te presteren dat hun Cito-score aangeeft. Meisjes gaan vaker dan jongens naar een hoger brugklastype en stromen daarna ook vaker dan jongens door naar een hogere onderwijssoort. Jongens gaan vaker naar het vmbo, iets meer meisjes dan jongens gaan naar de havo (24 versus 23 procent) en aanzienlijk meer meisjes dan jongens gaan naar het vwo (23 versus 19 procent).
Sector- en profielkeuze
In de sectorkeuze in het vmbo is weinig veranderd. in 2007/2008 koos 54 procent van de meisjes en 8 procent van de jongens voor Zorg&Welzijn. 57 procent van de jongens en 8 procent van de meisjes koos voor Techniek.
Vergeleken met voorgaande jaren lijken meisjes in havo en vwo iets minder seksespecifiek te kiezen. Zij kiezen minder vaak voor het profiel cultuur en maatschappij en meer voor de overige profielen. Met de invoering van de vernieuwde tweede fase in 2007/2008 is onder meer de inhoud van de profielen veranderd. Sindsdien zijn havo-meisjes duidelijk nog minder voor cultuur en maatschappij gaan kiezen.
Keuze vervolgopleiding
Meer meisjes dan jongens doorlopen zonder vertraging in havo en vwo. Met een vwo-diploma op zak kiezen meisjes vaker voor een hbo-opleiding dan jongens. Dit laatste geldt overigens vooral voor autochtone meisjes. Jongens en meisjes van niet-westers allochtone herkomst kiezen na het vwo vaker voor een universitaire studie.
Vrouwen kiezen binnen het mbo nog steeds vooral voor een opleiding in de zorg en welzijn en veel minder vaak voor techniek. Toch is het keuzepatroon sinds 1990 wel iets veranderd, en lijken vrouwen iets minder seksespecifiek te kiezen. ingeschrevenen vrouw. Binnen het hbo zijn de vrouwen sinds 1997 in de meerderheid, in het wo sinds 2006.
Vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd in bčtastudies
Het aandeel vrouwelijke studenten is vooral hoog in de richting onderwijs en de richting gezondheidszorg en welzijn, waaronder geneeskunde. De verschillen in studiekeuze tussen vrouwen en mannen zijn in het hbo groter dan in het wo. Binnen het wo is de belangstelling van vrouwen voor een studie landbouw en diergeneeskunde flink toegenomen. In 1990 was 37 procent van de wo-studenten in deze richting vrouw, terwijl het aandeel in 2007 op 66 procent lag. In de bčtastudies zijn de vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd en sinds 1990 is dit aandeel ook niet veel gegroeid. De bčta/techniekopleidingen (natuurwetenschappen, wiskunde en informatica, industrie en bouwkunde) hebben dus niet weten te profiteren van de toenemende belangstelling van vrouwen voor het hoger onderwijs. In 2007 pleitten onderzoekers van het ROA ervoor om maatregelen te treffen waarbij hogescholen en universiteiten de curricula van de technische opleidingen aanpassen om zo beter te kunnen aansluiten bij de belevingswereld van vrouwen en allochtonen. Wellicht zijn voor de bčtastudies veranderingen in zicht.
De laatste jaren is het aantal vrouwelijke eerstejaarsstudenten in deze studies meer toegenomen dan in andere studies, terwijl het aantal mannen dat daar voor het eerst instroomde wat achterbleef. Aan de andere kant blijken meisjes die op de havo of het mbo een technische richting volgden en doorstroomden naar het hbo, daar vaak voor een niet-technische richting te kiezen.
Zowel in het hbo als in het wo behalen vrouwen meestal sneller hun diploma dan mannen, ook als zij voor dezelfde studie kiezen als mannen. Het verschil in studierendement tussen de seksen is sinds 1996 vrijwel niet veranderd.
Promoties
Het aandeel vrouwen in academische promoties is sinds 1985 sterk gestegen. In die tijd werd ook het aio-stelsel ingevoerd. Het aandeel vrouwelijke promovendi is sindsdien gestegen van nog geen 10 procent in 1985/1986 tot 43 procent in 2006/2007. In de richting gezondheidszorg en welzijn vonden de meeste promoties plaats, waarvan 53 procent door vrouwen. Met 24 procent was het aandeel vrouwelijke gepromoveerden in de richting techniek, industrie en bouwkunde het kleinst.
Feminisering onderwijs oorzaak?
De cijfers uit deze monitor laten (opnieuw) zien dat de onderwijsloopbaan van meisjes voorspoediger verloopt dan die van jongens. Op de basisschool zijn er nog weinig verschillen, maar daarna wordt de voorsprong van meisjes ten opzichte van jongens steeds groter. Ze komen vaker in een hoger onderwijstype terecht en ze halen vaker en sneller hun diploma. Ook in de ons omringende landen is dit het geval.
De afgelopen jaren is er van diverse kanten beweerd dat dit te maken zou hebben met de feminisering van het onderwijs. Deze monitor serveert dit idee af, door onderzoek aan te halen van onder andere de Inspectie van het Onderwijs en OCW, waaruit blijkt dat juffen en meesters geen verschil maken. Bovendien ontstaan de verschillen tussen jongens en meisjes pas later in de onderwijsloopbaan, waar nog vooral door mannen wordt lesgegeven. In het basisonderwijs, met bijna 80 procent vrouwelijke leerkrachten, doen jongens het niet slechter dan meisjes, zoals blijkt uit de Cito-scores.
Ook is beweerd dat de onderwijsvernieuwingen van de laatste twintig jaar meisjes hebben bevoordeeld, en dat die vernieuwingen direct verband hielden met de feminisering van het onderwijs. Deze vernieuwingen hebben echter niets te maken met de sekseverhouding in de lerarenkamer, maar komen ze voort uit de eisen van de arbeidsmarkt en de samenleving, en uit nieuwe didactische inzichten.
In feite zijn jongens het niet slechter gaan doen, maar zijn de meisjes het beter gaan doen.Klik hier voor het persbericht over de Emancipatiemonitor 2008 en voor het volledige rapport.

