Meisjes, bèta/techniek en loopbaanleren

In 2008 vond op de Haagse Hogeschool de conferentie ‘Loopbaanontwikkeling tussen oud en nieuw leren’ plaats. De bijdragen aan de conferentie zijn onlangs gebundeld. Hoewel het in de bundel veelal gaat over vmbo en mbo, bevat hij ook interessante aanwijzingen om te komen tot een manier van studiekeuzebegeleiding die meer recht kan doen aan de talenten van natuurprofielmeisjes in het havo/vwo. Van deze meisjes kiest immers een groot deel voor een vervolgopleiding in een andere richting.

In de inleiding wordt verteld over een schoolloopbaanonderzoek onder 3505 (v)mbo-leerlingen. In dit onderzoek is o.a. aan docenten en aan leerlingen gevraagd wat de school doet om leerlingen te laten ontdekken wat bij hen past. Bijna 60 procent van de docenten antwoordde dat dit vooral gebeurt door individuele gesprekken met leerlingen, waarin de mening van de leerling het zwaarst weegt. Daarentegen antwoordde bijna de helft van de leerlingen dat zij vinden dat er (bijna) niets wordt gedaan op dit gebied.

Docenten, decanen en leerlingen gaan er vaak vanuit dat leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor hun keuzeproces en daarbij goed in staat zijn om keuzes te maken, hoewel uit onderzoek steeds het tegendeel blijkt. Docenten en decanen praten met de leerlingen vaak in de vorm van een monoloog: ze geven informatie en advies. En meestal gaat zo’n gesprek over de studievorderingen en niet over de (leer)loopbaan. Als er wordt gewerkt met een pop (persoonlijk ontwikkelingsplan) of een portfolio, dan worden deze vaak alleen gebruikt als tool om aantekeningen te maken en wordt er verder niet over gereflecteerd.

Elementen van (leer)loopbaanbegeleiding

In de bundel zijn tal van elementen te vinden voor een mogelijke methodiek van schoolloopbaanbegeleiding die recht doet aan de talenten van leerlingen, met name de bèta/technische talenten van meisjes. Zo wordt gesteld dat scholen niet zouden moeten wachten met keuzebegeleiding totdat er daadwerkelijk keuzes moeten worden gemaakt. Het maken van gefundeerde keuzes is immers op zichzelf iets dat leerlingen moeten leren.

Als studiekeuze wordt gezien als een (leer)proces in plaats van als een keuzemoment, dan is loopbaanbegeleiding nodig in de vorm van een dialoog tussen leerling en begeleider. Daarvoor moet de docent/decaan zich verdiepen in de leerling, moet hij/zij als het ware ‘in het hoofd kruipen’ van die leerling. Het gaat erom leerlingen te helpen de goede vragen te stellen. Het gaat bijv. niet zozeer om de vraag ‘wat vind ik leuk?’ maar meer om ‘waar wil ik moeite voor doen?’ De laatste vraag is een betere vraag als het gaat om reflectie over je motieven dan de eerste. Zo ontstaat ruimte voor exploratie en zelfsturing. Dat laatste betekent overigens niet kiezen uit ontelbare mogelijkheden, maar telkens kiezen uit een aantal mogelijkheden voor die bepaalde leerling, die door reflectie en dialoog naar voren zijn gekomen.

Een portfolio, of misschien nog liever een pop, kan een goed hulpmiddel zijn bij het (leren) maken van keuzes. Voorwaarde is wel dat de leerling reflecteert over wat daarin komt te staan. Reflectie is daarbij geen doel op zich – veel leerlingen hebben er op die manier een hekel aan – maar een middel om de leerloopbaan te sturen, waardoor reflectie aantrekkelijker wordt voor leerlingen. Die reflectie kan plaatsvinden in het kader van de dialoog tussen docent/decaan en leerling.

Marinka Kuijpers & Frans Meijers (red.) (2008), Loopbaanleren; onderzoek en praktijk in het onderwijs, ISBN 978-90-441-2377-7.