'Nederland is en blijft iets ambivalents houden als het gaat om het thema vrouwen die werken'

22 december 2021

Interview met Anneke van Doorne - Huiskes, vertrekkend lid van raad van toezicht

Vooral in beroepen als arts, jurist of financials zijn de laatste jaren veel vrouwen werkzaam. Dat was in de jaren tachtig wel anders, toen deed Anneke van Doorne – Huiskes onderzoek naar de arbeidsparticipatie van vrouwen en gaf er advies over. Het onderwijsniveau van vrouwen is sindsdien enorm omhoog gegaan, resulterend in een hoog aantal vrouwelijke artsen, juristen, accountants of financiële professionals. “Techniek blijft helaas een tikkie achter.” 

Het onderwerp vrouwen in bèta, techniek en IT gaat haar aan het hart. Het was een van de redenen waarom ze nadat ze was gepensioneerd toch nog voor een termijn lid werd van de raad van toezicht van VHTO. “Ik was en ben enthousiast over de inbreng van VHTO. De projecten zijn concreet en doelgericht.” Na drie jaar lid van de raad van toezicht stopt Van Doorne-Huiskes aan het einde van dit jaar.

Van Doorne-Huiskes promoveerde in 1979 op het onderwerp gehuwde vrouwelijke academici. De arbeidsparticipatie van getrouwde vrouwen, zeker met jonge kinderen, was in die tijd heel laag omdat het lang niet gewenst was dat getrouwde vrouwen werkten. In 1988 werd Van Doorne-Huiskes hoogleraar, eerst aan de Landbouw Universiteit Wageningen, vervolgens aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, en tot slot aan de Universiteit Utrecht. Ze richtte samen met Attie de Jong eind 1986 een onderzoeks- en organisatieadviesbureau op en gaf – in eerste instantie – vooral overheidsorganisaties advies over hoe de arbeidsparticipatie bij organisaties te vergroten.

Toen u in de jaren tachtig als hoogleraar Vrouwenstudies startte, hoe was het toen gesteld met de emancipatie van vrouwen?

“Pover. In de jaren zeventig ontwikkelde zich vanuit de overheid een emancipatiebeleid en werd die lage arbeidsparticipatie meer en meer een issue. In de jaren tachtig nam de arbeidsdeelname van vrouwen toe, omdat de problematiek aandacht kreeg. Eind jaren tachtig startte ik, samen met anderen, zoals gezegd een organisatieadviesbureau. Die oprichting was een gevolg van een tweejarig project waaraan ik deelnam vanuit de universiteit Leiden om meer vrouwen bij de overheid aan het werk te krijgen. We waren het eerste commerciële bureau dat organisaties hielp met beleidsplannen hoe ze het aantal vrouwen in de organisatie konden vergroten. We hebben de wind mee gehad, omdat er overheidssubsidies kwamen ten behoeve van gemeenten, organisaties en bedrijven die beleidsplannen wilden opstellen. Daar is toen op vrij grote schaal gebruik van gemaakt.
In de jaren negentig kwamen er betere data, ook vanuit andere landen. Zo konden we landen met elkaar vergelijken en met cijfers aantonen dat we in Nederland achterbleven. Als onderzoekers wisten we dat wel al, maar voor – sommige - ambtenaren was dat een schok.”

Waar bij de start van uw organisatieadviesbureau lag de focus van het advies hoe de arbeidsparticipatie te vergroten?

“We werkten aanvankelijk met het model van positieve actie, dat we op basis van voorbeelden uit de Verenigde Staten hadden ontwikkeld. Dit model berekende hoeveel vrouwen op de arbeidsmarkt beschikbaar waren voor een bepaalde rol of functie, rekening houdend met opleidingsniveau en ervaringsjaren die je voor bepaalde functies nodig had. Daaruit volgde dan een percentage dat het aandeel vrouwen in de organisatie zou kunnen zijn, zowel op aanstellingen als doorstroom. Het was een heel rationeel en cijfermatig model, dat we vaak hebben geadviseerd.”

Wat is wat u betreft de grootste verandering geweest de afgelopen jaren?

“Het hoge aantal vrouwelijke professionals sinds midden jaren negentig. Het onderwijsniveau van vrouwen ging enorm omhoog. Het ging geleidelijk maar wel nadrukkelijk. Dat heeft zich vertaald in een hoog aantal vrouwelijke artsen, juristen, accountants of financiële professionals. Techniek blijft helaas een tikkie achter.”

Heeft u daar een verklaring voor?

“Nederland is en blijft iets ambivalents houden als het gaat om het thema vrouwen die werken. Je ziet het nu ook bij de discussie over deeltijd werken. Zodra je zegt dat vrouwen meer werkuren zouden moeten maken, krijg je meteen terug dat hetgeen vrouwen nu doen, namelijk de mantelzorg, ook heel belangrijk is. Dat ambivalente is typisch Nederlands.” Daarmee zeg ik natuurlijk niet dat mantelzorg niet heel belangrijk is. Maar dat geldt voor alle landen om ons heen.

Hoe komt het dat Nederland daarin anders is dan andere landen?

“Er wordt in Nederland veel belang gehecht aan de huisvrouw, zoals Els Kloek dat ook in haar onderzoeken beschrijft. Het fenomeen dat getrouwde vrouwen niet behoren te werken, stamt al uit de 17e en 18e eeuw. Door de verzuiling is die gedachte in de 20e eeuw versterkt. Ongehuwde vrouwen mochten wel werken, maar niet op de arbeidsmarkt blijven na hun huwelijk. Vanuit de christelijke en katholieke partijen werd het werken van vrouwen geweerd, maar ook de socialistische zuil droeg daaraan bij. Dat in Nederland die gedachte sterker was dan in andere landen, komt doordat christelijke waarden sterk waren vertegenwoordigd in de politiek. In Scandinavische landen bijvoorbeeld speelde godsdienst natuurlijk ook een rol in het maatschappelijk leven, maar dat vertaalde zich minder door in politieke bewegingen. Mede daardoor zag men in deze landen eerder  dat vrouwen nodig zijn op de arbeidsmarkt en dat je daartoe faciliteiten moet bouwen. Het net van kinderopvang en ouderschapsverlof is daar beter, structureler en vanzelfsprekender opgebouwd.
In Nederland is lang de gedachte geweest dat een man een vrouw en twee kinderen moet kunnen onderhouden. De hypotheekverstrekking is bijvoorbeeld lang toegekend op basis van het inkomen van alleen de mannelijke partner. Toen ik in de jaren zeventig samen met mijn man een huis kocht, telde mijn salaris niet mee terwijl ik wel werkte. Gelukkig is dat wel veranderd.
Qua kinderopvang is Nederland, Europees gezien, geen voorloper. Als je de geschiedenis bekijkt hoe de overheid de kinderopvang de afgelopen decennia heeft ondersteund, dan zie je dat dat voortdurend heen en weer zwiept. Naar gelang van de aard van het kabinet wordt de bijdrage door de ondernemers, de overheid of de ouders betaald.”

Eigenlijk is de emancipatie van vrouwen in Nederland nog niet zo lang aan de gang?

“We hebben natuurlijk ook vroegere feministische golven gehad en vrouwen die zich daarvoor inzetten, denk aan Aletta Jacobs aan het begin van deze eeuw. Maar dat het genormaliseerd en vanzelfsprekend is dat vrouwen deelnemen aan het beroepsleven, dat is nog niet zo lang. Bovendien heeft Nederland lang een culturele, wat regenteske onderlaag gekend, waarin de traditionele rolverdelingen tussen mannen en vrouwen een belangrijke rol spelen. Dat zie en hoor je nu nog steeds bij de discussies over het deeltijdwerken.”

Wat is voor u een belangrijke les geweest rondom het thema techniek en digitalisering?

“Dat het verdwijnen van stereotypen ontzettend belangrijk is om de arbeidsparticipatie in de technische sector te doen toenemen. Die beelden vormen obstakels op allerlei andere gebieden, bijvoorbeeld bij het zelfbeeld van meisjes of decanen die het beeld blijven bevestigen dat techniek niet voor meisjes is. Er zijn nog steeds voorbeelden van vrouwen die in een technische functie werken, maar waar de mannelijke jongere assistent wordt aangesproken en niet zij.
Natuurlijk is er veel positief veranderd. Het keuzepakket is beter geworden waardoor de entree naar technische beroepen makkelijker is geworden. Maar helaas is het nog altijd zo dat niet alle gekwalificeerde vrouwen voor een technische functie kiezen of dat ze na een tijdje wisselen naar een andere sector. Daar moeten we wel focus op houden. ”

Wat wilt u VHTO nog meegeven?

“Alle beroepen krijgen te maken met digitalisering. De hele samenleving is en wordt doordrenkt van technologie. Dus om überhaupt deel te nemen aan de samenleving of in beroepen moet je digitaal van de hoed en de rand weten. Het is dus belangrijk dat meisjes en vrouwen kennis hebben van digitalisering, anders kunnen ze in de nabije toekomst nauwelijks meer beroepen uitoefenen, ook de niet-technische beroepen. Het maakt duidelijk dat het noodzaak blijft dat VHTO door blijft gaan met hun werk en dat ze blijven samenwerken met andere partijen.”